Assertief zijn kun je leren!

Rotklusjes opknappen voor een ander, je mening maar voor je houden om de lieve vrede te bewaren en frustraties opkroppen. Weekblad Flair nam deel aan de training ‘Assertief optreden‘ van ICM en schreef over haar ervaringen.

Ken je dat: je gaat tóch naar de verjaardag van die vage kennis, omdat je geen ‘nee’ durft te zeggen?

Of dat je ’s nachts in bed ligt en ineens weet wat je had moeten zeggen tegen je baas? Of dat er voor het vrijgezellenfeest voor een goede vriendin een stripper is geboekt en iedereen enthousiast is over dat idee behalve jij? Ooit zei iemand tegen me: ‘Jij moet eens een assertiviteitscursus volgen.’ En toen ik drie jaar geleden min of meer overwerkt was, kwam mijn vader met het zelfhulpboekje ‘Aardige meisjes komen in de hemel, brutale meisjes komen overal’. De boodschap was duidelijk: ik moest assertiever worden, grenzen stellen en minder aardig zijn. Het probleem is: bij het woord ‘assertief’ krijg ik een naar gevoel. Ik associeer het met mensen die vooral aan zichzelf denken en dingen zeggen als: ‘Dat is niet mijn probleem’. Bijvoorbeeld: ik stond met vriendin L. bij een bioscoopkassa en zij deed op nogal onbeschofte wijze haar beklag toen onze kaartjes niet gereserveerd bleken te zijn. Hoewel ik blij was dat we toch naar binnen mochten, sprak ik L. verbaasd aan op hoe ze het arme kassameisje had aangesproken. L. zei: ‘Dát is nou assertief zijn, Jocelyn.’ Als dát assertief is, dan hoeft het voor mij niet, dacht ik toen. Toch houdt het me bezig. Soms zou ik willen dat die knoop in mijn maag er niet is, als iemand over me heen walst. Soms zou ik willen weten wat ik in zulke situaties moet zeggen. Want op de momenten dat ik iemand met iets confronteer, gebeurt het vaak dat ik bijna moet huilen of plotseling héél boos word. Dat moet toch anders kunnen?

Dag 1: De assertiviteitscursus begint

Ik ben vandaag dus eindelijk op weg naar een cursus ‘Assertief optreden ‘. Gewoon om eens te kijken wat dat inhoudt. Twee dagen in een groep van twaalf mensen, onder begeleiding van een professionele trainer. Het is eigenlijk een training voor assertiviteit op het werk, maar ach: assertief is assertief. Als ik de trainingsruimte binnenloop, zitten de andere cursisten al klaar: vier mannen en zeven vrouwen in de leeftijd 23 tot 50 jaar. Ik ben blij dat het normale mensen zijn, al weet ik niet wat ik anders verwacht had. De voorstelronde, waarin iedereen vertelt waar hij of zij tegenaan loopt, is bizar. Ik zit als een idioot te knikken: álles wat gezegd wordt, herken ik. De hele tijd heb ik de neiging om te roepen: ‘Dat heb ik ook, dat heb ik ook!’ Het gevoel dat je overrompelt wordt, niet zegt wat je dwarszit uit angst om zeuredering/bot/onzeker/dom over te komen, de hele tijd denken: laat maar. Wat we bijna allemaal met elkaar gemeen hebben, is dat we conflicten het liefst uit de weg gaan, alles beter dan een gespannen sfeer.
Alle redenen die we noemen om iets niet te zeggen, schrijft Rinze, onze trainer, op een flip-over. Aan het einde van dit rondje staan er kreten als ‘Het zal wel aan mij liggen’, ‘Wat zullen ze van me denken?’ en ‘Waar maak ik me druk om?’ “Deze uitspraken”, zegt Rinze, “weerhouden je ervan om assertief gedrag te vertonen en voor jezelf op te komen. Het zijn gedachten die je hebt ontwikkeld, die voortkomen uit onzekerheid of uit dingen die ooit tegen je gezegd zijn. Maar zo ben je niet geboren. Kijk maar naar kinderen, die zeggen het doorgaans meteen als ze iets niet leuk vinden.”
Mijn wantrouwen wat betreft assertiviteit probeert Rinze meteen weg te nemen. “Assertiviteit is voor jezelf opkomen zónder de relatie te schaden. Het is niet zo dat je mensen niet meer mag helpen. Dit is geen cursus onaardig worden! Ik ga jullie niets leren wat niet al in je zit. De assertieve persoon zit in ons allemaal, hij moet alleen op een goede manier naar buiten komen.” Rinze legt uit dat je je moet proberen bewust te worden van je eigen gedachten en gevoelens en ze moet leren benoemen. “Assertieve mensen zijn koningen in het benoemen. Vinden ze iets niet leuk, dan zeggen ze: ‘Ik vind dit niet zo leuk’. Voelen ze zich overrompeld, dan zeggen ze: ‘Ik voel me een beetje overrompeld.’ Dát is assertief gedrag. Zo simpel is het.” En dat ‘op een goede manier naar buiten brengen’ zit ‘m in de toon en in wat je zegt. Rinze: ‘Houd het bij jezelf, ga niet in de aanval en oordeel niet over de ander, want dat werkt als olie op het vuur.” Als Rinze de theorie uitlegt, lijkt het allemaal zo simpel!

Je kunt op drie manieren reageren: subassertief, assertief en agressief. Het wordt al snel duidelijk dat mijn beeld van assertiviteit in feite agressiviteit is: de ander overheersen, negeren, domineren en manipuleren. “Dat heeft misschien op korte termijn effect”, legt Rinze uit, “maar uiteindelijk jaag je mensen tegen je in het harnas.” Zelf gedraag ik me eigenlijk al heel m’n leven subassertief: snel toegeven, onenigheden vermijden, een smoesje verzinnen als ik iets niet wil. “Met subassertief gedrag maak je je kleiner dan je eigenlijk bent. Het heeft het tijdelijke voordeel dat je spanningen en conflicten uit de weg gaat. Maar het gevolg is dat je altijd het onderspit delft en dat mensen niet weten wat ze aan je hebben.” Daarnaast, legt hij uit, creëer je een bommetje in je hoofd als je iets opkropt. En áls het er dan uitkomt, dan is het vaak met veel emoties. “Je moet leren om subassertief gedrag om te zetten in assertief gedrag. Als je iets niet zegt omdat je bang bent dat mensen je een zeur zullen vinden, dan zeg je bijvoorbeeld: ‘Misschien vind je me een zeur, maar ik wil toch nog even iets zeggen.'”
“Maar als ik iets vervelend vind, dan zijn er toch ook andere manieren om dat duidelijk te maken? Met hints bijvoorbeeld?”, vraagt iemand. “Hints hebben een groot nadeel”, zegt Rinze. “Omdat je de interpretatie aan de ander overlaat, gaat het meestal niet zoals jij bedoelt. Hoe duidelijker je bent in wat je wilt, hoe groter de kans dat je ook krijgt wat je wilt. Probeer ook de hints van een ander – een mokkend gezicht bijvoorbeeld – niet te interpreteren, vraag gewoon wat er aan de hand is: ‘Ik zie dat je op de klok kijkt, vind je mijn verhaal saai?’ Voor hetzelfde geld moet diegene nog ergens heen en heeft hij gewoon haast.”

Na een dag vol rollenspellen, voorbeelden en communicatietheorieën worden we weer naar huis gestuurd.

Volgende week komen we terug om te vertellen hoe het ons is vergaan. De eerste dagen sla ik een beetje door in het ‘benoemen’ van mijn gevoel. Bijvoorbeeld als ik een collega op iets probeer aan te spreken: “Ik eh, voel dat, ik denk eh, pomtiedom, misschien kun je dat een beetje haast geven? Misschien ook niet, kijk maar.” Verder laat ik me die week overrompelen door mijn jeugdvriendin M. – een dominant type – die me opzadelt met de organisatie van een reünie – háár idee – met het ijzersterke argument: “Jij hebt de meeste e-mailadressen.” En ’s ochtends in de trein, op weg naaar de tweede cursusdag, zit er een meisjes in de stiltecoupé heel hard te bellen. Ik erger me suf, en ook al vormen er zich in mijn hoofd allemaal dingen die ik zou kunnen zeggen, ik houd het bij geïrriteerd zuchten.

Dag 2: Het rollenspel

“Ik durfde het gewoon niet”, besluit ik, als ik mijn ervaringen van deze week deel met de groep.

“Je moet het gewoon dóén!” zegt Rinze. “Wees niet bang voor klotsende oksels: een keer je shirtje wassen en de geur is weg. Durf uit die veilige ‘comfortzone’ te komen, daar heb je al veel te lang in gezeten.” Een beetje gênant is het, want als na mij anderen hun verhaal doen, blijk ik echt de enige te zijn die er niets van gebakken heeft. Wat me tegenhoudt? Het is de angst voor wat een ander gaat zeggen of vinden. Rinze herhaalt iets wat op de eerste dag duidelijk niet tot mij doorgedrongen is: “Je kúnt niet voorspellen wat de ander gaat zeggen of denken, dus probeer dat ook niet. Het maakt namelijk niet uit. En dan vindt iemand je stom, als je ergens iets van zegt. Nou en! We zijn met z’n zes miljarden, er is er altijd wel eentje die het niet met je eens is.” Het klinkt logisch als Rinze het zegt. Ik gooi er nog een ‘ja, maar’ tussen, maar hij heeft gelijk. Hij wijst op wat hij op het bord schreef: ‘Assertief gedrag: voor jezelf opkomen, zonder dat je de langdurige relatie onnodig schade aandoet.’ Hij wijst op het woordje ‘onnodig’, dat ik eerder niet heb gezien. “Dat woordje is belangrijk, want soms is het dus wél nodig. Wees niet bang om een keer van je af te bijten als iemand jou altijd onder de voet loopt, of onredelijk blijft. Vergeet niet”, vervolgt hij opgewekt, “dat een confrontatie waarin je even flink botst, heel verhelderend kan werken. Het klaart de lucht.” Ik kijk hem ongelovig aan. “maar dan heb ik er toch een rotgevoel over?” vraag ik. Rinze kijk me aan en zegt: “Je mag ook wel eens ergens even geen goed gevoel bij hebben.” “Maar als ik iemand dan kwets?”, zeg ik, tegen beter weten in. “Je bent niet verantwoordelijk voor de gevoelens van een ander”, antwoordt hij. Ook dat heb ik hem al eerder horen zeggen, toch vind ik het moeilijk om het aan te nemen. Rinze zegt dat verantwoordelijkheidsgevoel voor de gevoelens van anderen een typisch vrouwending is. “Jij bent alleen verantwoordelijk voor jouw deel van de communicatie.”

Ik voel me echt heel hardleers, want bij alles wat ik vraag of in twijfel trek, herhaalt Rinze wat al eerder ter sprake is gekomen.

Blijf benoemen, ga de confrontatie niet uit de weg, enzovoort, enzovoort. De kern die ik eruit haal is: blijf bij jezelf, heb vertrouwen in jezelf, wees helder in wat je wilt, dan volgen de woorden vanzelf. Er zijn vandaag weer een paar schema’s en spreadsheets voorbijgekomen, maar toch mis ik iets. Gewoon een trucje ofzo, ik ben wel klaar met dat benoemen. Ik wil gewoon weten hoe je ‘nee’ zegt. En daar is het antwoord, in vier punten:

1. Zeg duidelijk ‘nee’
2. Geef de reden
3. Benoem het gevoel van de ander
4. Noem een alternatief.

We oefenen dit in een rollenspel. Omdat ik dit echt onder de knie wil krijgen, bied ik me aan. Rinze is mijn baas, die mij notulen wil laten uitwerken. Ik heb dit al een paar keer eerder gedaan, terwijl het niet tot mijn vaste taken behoort. De opdracht is dat ik ‘nee’ zeg. De eerste keer laat ik me overvallen. Rinze komt ‘mijn kantoortje’ binnen, legt papieren neer en zegt: “Werk jij ze even uit?” Voordat ik bedacht heb wat ik moet zeggen, is hij alweer weg. “Maar ik heb het heel druk”, roep ik hem achterna. “Iedereen heeft het druk, doe het gewoon even’, zegt hij over zijn schouder. En daar heeft-ie me, ik weet het even niet meer. “Eh, oké”, fluister ik. Het komt er zo hulpeloos uit dat de andere een beetje moeten lachen. Ik zelf ook, maar ik denk intussen aan hoe ik op dezelfde manier werd overrompeld door vriendin M. afgelopen week. “Gebruik die punten nou, gebruik het woord ‘nee’. Wees zeker van je zaak”, zegt Rinze en hij wijst me op hoe ik zit: in elkaar gedoken. Wat zit ik nou eigenlijk stom te doen! Mensen nemen de ruimte die jij ze geeft, schiet het door mijn hoofd. Ik ga rechtop zitten. “Kunnen we het nog een keer doen?” vraag ik. Dat kan. Hij loopt weer mijn denkbeeldige kantoortje binnen en legt de papieren neer, met dezelfde vraag. “Ook goedemiddag, Rinze”, hoor ik mezelf vriendelijk zeggen. “Sorry, maar ik moet toch echt nee zeggen, want ik heb er geen tijd voor vandaag. Ik begrijp dat je dat vervelend vindt, maar misschien kun je het deze keer aan iemand anders vragen.” Hoppa, op de een of andere manier vloeien de punten 1 tot en met 4 zo uit mijn mond. Hij probeert het nog een paar keer (“Iedereen heeft het druk.” Mijn antwoord: “Dat is geen reden dat ík het elke keer moet doen.”) maar ik blijf vriendelijk, houd mijn rug recht en leef tegelijkertijd met hem mee. Vooral het derde punt: benoem het gevoel van de ander, is handig. Want zo kan ik wél laten zien dat ik het vervelend voor hem vind, zonder dan meteen uit schuldgevoel toch: ‘Oké, vooruit dan maar’ te zegen. Het voelt alsof ik vleugels krijg en het gesprek heel helder van een afstandje kan volgen. Het kwartje is gevallen. Als ik Rinze heb afgepoeierd, begint de rest spontaan te applaudiseren. “Toch was ik de hele tijd bang dat je boos zou worden”, zeg ik achteraf. We doen het nog een keer, met het verschil dat hij boos wordt. Echt boos. Toch weet ik weer mijn rug recht te houden. Dankzij de punten, dankzij twee cursusdagen.
Ik vraag nog wat ik in de trein had kunnen zeggen tegen het bellende meisje, want daar ben ik nog niet uit. Truc: spreek in de ik-vorm en stel een concrete vraag, waarop het antwoord ook ‘nee’ kan zijn. “Ik heb last van uw telefoongesprek, kunt u wat zachter praten?” in plaats van: “Praat eens wat zachter, de hele coupé kan het horen.”
Ik ben enorm blij. Alles valt op zijn plaats. Assertiviteit heeft niets te maken met onbeschoft of onbehulpzaam gedrag: het is juist een manier om aardig te blijven, ook tegen jezelf. Ik begrijp bijna niet waarom ik al die jaren zo moeilijk heb gedaan. Ik kan niet wachten om M. die reünie in haar schoenen te schuiven. En mijn excuses aan te bieden aan A., die een stripper moest trotseren op haar vrijgezellenfeest. Ja, ik denk echt dat het vanaf nu een stuk makkelijker wordt.

Bron: Weekblad Flair 2008